Website Romeinse Limes

vrijdag 13 juni 2014

De Romeinse Limes
Tegenwoordig grotendeels verborgen in de bodem, maar tweeduizend jaar geleden een ondoordringbaar obstakel: de noordgrens van het Romeinse rijk, die in Nederland  van Katwijk aan Zee tot Millingen aan de Rijn liep. De grens volgde de loop van de rivier de Rijn. Langs de Rijn lagen destijds tientallen forten en andere versterkingen, die het huidige Nederland in tweeën deelden. Op die wijze probeerden de Romeinen hun vijanden uit het noorden te beletten het machtige rijk binnen te dringen. En met succes, want mede dankzij de bewaking door talloze soldaten hield deze Limes (‘grens’ of ‘pad’ in het Latijn) ruim drie eeuwen stand.

De geschiedenis van de Romeinse Limes begint in 57 voor Christus, wanneer Julius Caesar als eerste Romeinse legerleider het zuiden van de Lage Landen bereikt. De verovering verloopt moeizaam en na zes jaar trekt de legendarische veldheer zich onverrichter zaken terug. In 12 voor Christus heeft keizer Augustus meer succes. Zijn stiefzoon en legerleider Drusus slaagt erin een deel van Nederland in te nemen en bouwt onder meer een versterking in Nijmegen. Pogingen om ook het noorden te veroveren falen echter en uiteindelijk worden de campagnes halverwege de eerste eeuw na Christus gestaakt.

In de daaropvolgende 350 jaar is de Rijn een permanent onderdeel van de rijksgrens. Een belangrijk deel van die periode heerst er rust en vrede in het gebied, ook wel de Pax Romana genoemd. De verschillende bevolkingsgroepen mengen zich en de economie aan beide zijden van de rivier maakt een bloeiperiode door. Keizerlijke bezoeken, zoals die van Trajanus (98 na Christus) of Hadrianus (122 na Christus), geven de Romeinse Limes en zijn omgeving telkens een flinke impuls: wegen krijgen een opknapbeurt, steden ontvangen marktrechten en de verdedigingslinie wordt versterkt.

Het begin van het einde voor de Limes kondigt zich aan het einde van de derde eeuw aan, ruim een eeuw voor het daadwerkelijk verdwijnen ervan. Steeds vaker bedreigen Germaanse stammen de noordgrens van het Romeinse rijk. Dit moet een chaotische periode zijn geweest, maar veel is daar niet over bekend. Wat wel vaststaat, is dat de Germanen in de laatste nacht van 406 na Christus in groten getale de Rijn oversteken. En daarmee komt er niet alleen een einde aan de Limes maar ook aan de Romeinse overheersing van de Lage Landen.

Bron: http://www.romeinselimes.nl/nl/romeinse-limes/limes-nederland

Over ons

De Steekproef biedt opdrachtgevers in heel Nederland archeologisch onderzoek en advies van hoogwaardige kwaliteit.
Wij vinden het belangrijk om onze opdrachtgevers vlot van dienst te zijn.

Contact

Heeft u vragen of opmerkingen?
Stuur een bericht.
Wij antwoorden u zo spoedig mogelijk. Of bel:

(050) 577 97 84 (030) 820 05 34

Neem hier een kijkje in de bodem
De Steekproef | archeologisch onderzoek en advies in heel Nederland

stadsbewoners

Op plekken waar belangrijke (water-)wegen elkaar kruisten vindt sinds lange tijd handel en nijverheid plaats. Door de steeds efficientere landbouw, visserij en transport konden deze plekken bevoorraad worden en uitgroeien tot steden. Dit gebeurde vanaf de vroege middeleeuwen. Eén van de eerste handelssteden in Nederland is Dorestad (Wijk bij Duurstede). In de grond onder onze steden vinden we de resten van middeleeuwse gebouwen en het bewoningsafval dat ons veel kan leren over het gedrag van de mensen uit de middeleeuwen en moderne tijd.

Gedurende de middeleeuwen maakten de steden een grote groei door. In de Gouden Eeuw woonden er in Nederland, procentueel, meer mensen in steden dan in de rest van Europa. 

Als gevolg van de vrijheidsoorlog tegen Spanje kennen we in Nederland een groot aantal vestingsteden. In en rond veel steden kunnen we sporen verwachten van grachten en verdedigingswallen of stadsmuren, bolwerken en dergelijke.

 

vroege landbouwers

Vaak op grotere diepte vinden we de sporen van de vroege landbouwculturen. Meestal zijn dat scherven aardewerk en grondsporen van boerderijen en bijgebouwen. 

Vanaf de nieuwe steentijd (begin ± 7.000 jaar geleden) wordt op ons grondgebied landbouw bedreven. De omslag van een jager-verzamelaar-economie naar een landbouw-economie is één van de meest ingrijpende maatschappelijke veranderingen die ooit hebben plaatsgevonden. De mens ging permanent op één plek wonen en begon de omgeving naar zijn hand te zetten.

Bossen werden gekapt voor de aanleg van landerijen. De mens bouwde woonstal-huizen waar men met het vee onder één dak leefde. Voor de opslag van voedsel en het bereiden ervan begon men aardewerken potten te bakken. Een andere vernieuwing uit de nieuwe steentijd was de geslepen stenen bijl. Hiermee konden bomen worden gekapt voor de bouw van boerderijen en werden bossen ontgonnen. 

Metalen gereedschap kwam beschikbaar in de bronstijd (vanaf ± 4.000 geleden). Pas 1.200 jaar later werd er in ons land ijzer gesmeed. De winning en bewerking van metaal hadden grote gevolgen: men kon betere gereedschappen maken en daarmee de landbouwproductie sterk opvoeren. Het metaal werd ook gebruik voor het smeden van betere wapens. Hoogstwaarschijnlijk door de toenemende bevolkingsdruk en de ontwikkeling van complexe samenlevingen zien we in de ijzertijd de eerste (b.v. met palenkransen) versterkte dorpen. 

De komst van de Romeinen heeft een groot effect gehad op de economie en ontwikkeling van de toenmalige boeren-samenlevingen. Dit gold met name voor de gebieden ten zuiden van de Rijn: de grens van het Romeinse rijk.

jager-verzamelaars

De oudste menselijke bewoningssporen in Nederland zijn gevonden in de Belvédère groeve in Maastricht. Hier werden stenen werktuigen gevonden in combinatie met de botten van de wolharige neushoorn. Het gaat hier om de resten van slachtplaatsen of jachtkampementen van 250.000 jaar geleden. 

Hierna volgt een lange periode waarvan we geen aanwijzingen hebben voor menselijke bewoning in onze streken. Uit de periode 60.000 tot 35.000 jaar geleden kennen we vuurstenen werktuigen van de Neanderthaler. Tot nu toe zijn er enkele tientallen vuistbijlen en enige stukken bot (voedselresten) ontdekt.

De moderne mens, onze directe voorouder, betrad het huidige Nederland aan het eind van de laatste ijstijd: rond 13.000 jaar geleden.

Zes- tot zevenduizend jaar later, na de introductie van landbouwgewassen uit het nabije oosten begon de mens zijn eigen voedsel te produceren. Gedurende een lange overgangsperiode hield men zich zowel met landbouw als met de jacht en visserij in leven.

De voorwerpen die de jagers-verzamelaars hebben achtergelaten, bestaan voornamelijk uit vuurstenen werktuigen en afval. Soms vinden we (verbrand) botmateriaal: de restanten van hun voedsel.

login