Grondboringen
Door grondboringen kunnen we de mate van bodemverstoring bepalen. De ontwikkeling van een bodemprofiel is een zeer langdurig proces. Bij een onverstoord bodemprofiel is de bodem recentelijk niet verstoord door menselijk ingrijpen. In een niet of weinig verstoorde bodem kunnen archeologische sporen zitten, maar dat wil niet zeggen dát ze er ook zijn. Omgekeerd hoeven we bij een totaal verstoord bodemprofiel, bijvoorbeeld door landbouwtechnische ingrepen, nauwelijks meer te rekenen op leesbare sporen.
Gaafheid van de bodem
Bij het bepalen van de gaafheid van de bodem gebruiken we een handboor. Meestal is dat een edelmanboor of een steekguts. Voor diepe boringen wordt gewerkt met een machinale boorinstallatie. Door op regelmatige afstanden boringen te doen, krijgen we een indruk van de conditie van het bodemprofiel.
Bij een bewerkte bodem bestaat de eerste 30 cm uit bouwvoor (de bovenlaag die telkens wordt geploegd). Is de bodem daaronder ook sterk verstoord, dan is er maar een kleine kans dat we onaangetaste archeologische grondsporen aantreffen. Is er echter een esdek (verhoogd bouwland door plaggenbemesting) aanwezig, dan is er een grotere kans dat de daardoor dieperliggende archeologische sporen ongeschonden zijn gebleven. Over het algemeen is dat ook het geval met bijvoorbeeld menselijke begravingen, waterputten en afvalkuilen. Naast de verstoringsdiepte kijken we dus ook naar de bodemsamenstelling en de aard van de te verwachten archeologische vindplaats.
Verspreiding van archeologische indicatoren
Bij het bepalen van de verspreiding van archeologische indicatoren gebruiken we een groot formaat edelmanboor. De opgeboorde grond wordt per laag gezeefd op een zeef van 2 of 4 mm. Op deze manier vinden we archeologische indicatoren zoals vuursteensplinters, aardewerkscherven, verbrand bot en houtskool.
Archeologische indicatoren kunnen zich echter ook aan de oppervlakte bevinden. Om deze op te sporen, wordt een veldkartering toegepast.
Offerte aanvragen
